Dé opleidingensite voor hbo en hoger
Gepubliceerd op: 4 november 2013
Auteur:
Functie: Managing Director
Organisatie: Markus Verbeek Praehep


Kabinetsplannen en crisis sturen keuze voor opleiding

De kabinetsplannen voor de langstudeerboete, het studieleenstelsel, de basisbeurs het instellingscollegegeld & de crisis sturen de keuze voor een opleiding.

Zorg dat u goed geïnformeerd bent.

Tijdens de kabinetsperiode Rutte I heeft de toenmalige staatssecretaris Halbe Zijlstra een ongekende voortvarendheid aan de dag gelegd. Het ene na het andere voornemen kwam op het bureau van de onderwijsbestuurders terecht. Alhoewel veel plannen niet tot wasdom zijn gekomen, zijn ze niet van de baan en hebben ze net als de economische crisis zeker effect op het keuzegedrag van met name werkende studenten. Ook Rutte II, met onderwijsminister Bussemaker schrijft nieuwe onderwijsplannen. En er is een adviescommissie ingesteld die onder leiding van Rinnooy Kan werkt aan plannen die het hoger onderwijs flexibeler moeten maken voor werkenden. Wat betekenen deze plannen voor de hbo-student in het algemeen en voor de werkende deeltijdstudent in het bijzonder?

Langstudeerboete, studieleenstelsel en basisbeurs

In juli 2011 werd het wetsvoorstel langstudeerdersregeling aangenomen. Hierin staat dat studenten gedurende de nominale duur (plus een extra jaar) van de bacheloropleiding en de nominale duur (plus een extra jaar) van de masteropleiding tegen betaling van het wettelijk collegegeld mochten studeren, mits niet eerder een bachelor- of mastergraad was behaald. Wie langer dan één jaar vertraging opliep zou bovenop het collegegeld een boete van ca. € 3.000 moeten betalen.

Na veel maatschappelijke beroering is dit voorstel uiteindelijk weer ingetrokken. Waarom eigenlijk? Wat is er zo erg om studenten die veel te lang over hun studie doen extra te laten betalen? Wat is er zo verkeerd om het verschijnsel 'eeuwige student' te bestrijden? Wat mij betreft was het niet handig om het wetsvoorstel van toepassing te laten zijn op reeds studerenden, maar in zijn algemeenheid valt dit voorstel nog steeds goed te verdedigen.

De hbo-raad (nu Vereniging Hogescholen) van het bekostigd onderwijs was blij en rekende zich rijk, totdat het alternatief werd voorgeschoteld: het plan voor een sociaal leenstelsel voor studenten. Dit alternatief zorgt ervoor dat de basisbeurs wordt afgeschaft. Er zou een sociaal leenstelsel voor studenten voor terugkomen, zodat studenten hun studie kunnen bekostigen. Al snel verzuchtte de raad dat ze dan toch liever een langstudeerboete had geaccepteerd. Zelfs studenten waren deze mening toegedaan. Inmiddels is er besloten om dit leenstelsel niet in 2014 in het hbo in te voeren, maar het lijkt er niet op dat er van afstel sprake is. Voor masterstudenten gaat de invoering gewoon door. Het is denkbaar dat de langstudeerboete in de toekomst voor hbo-studenten van stal wordt gehaald als er verder bezuinigd moet worden.

Hoe beïnvloedt de invoering van het studieleenstelsel én wegvallen van de basisbeurs het gedrag van de student?

Voltijdstudenten

  • Het recht op een OV-kaart en de basisbeurs zullen vervallen. Een uitwonende student mist hierdoor € 272,46 per maand en de thuiswonende € 97,85.
  • Het wordt voor voltijdstudenten en voor hun ouders moeilijker om de studie te bekostigen. Waar voorheen de studiefinanciering uitkomst bood, moet de student nu investeren in de vorm van een lening. De student zal dit vervelend vinden, maar op zich is er niets mis mee om wat meer verantwoordelijkheid bij de student te leggen. De student ondervindt de directe financiële consequentie als er niet serieus met de studie wordt omgegaan, wat zal leiden tot consciëntieuzer studiegedrag.
  • Het verliezen van de basisbeurs en het recht op een gratis OV-kaart, zal er tevens voor zorgen dat studenten hun heil dichter bij huis gaan zoeken. Het wordt lastiger om op kamers te gaan indien men zelf niet over voldoende geld beschikt. Studenten zullen eerder geneigd zijn heen-en-weer te gaan reizen als dit qua tijd en geld mogelijk is. Het risico bestaat dat ook de plaats waar je woont de keuze voor de studierichting beïnvloedt. Niet elke studierichting is immers in alle regio's beschikbaar.
  • Een ander effect op het gedrag van de student is dat hij eerder geneigd zal zijn om werk te zoeken en daarnaast in duale vorm of in deeltijd te gaan studeren. Met name in deeltijd is de werkgever bereid de opleiding te betalen en ontvangt de student een salaris. Er wordt geen studieschuld opgebouwd en al in de studietijd kan de student een aardig kapitaaltje opbouwen. De studie zal zwaarder zijn door de combinatie werken en leren, maar tegelijkertijd zal de praktijkervaring die men opdoet de studie vergemakkelijken en tot een grotere motivatie leiden. Nu zijn deze voordelen altijd al aanwezig geweest, maar doorgaans koos de student voor de voltijd variant en het studentenleven. De financiële druk zal de neiging om te kiezen voor het studentenleven verminderen.

Deeltijdstudenten (vaak werkend)

  • Deze studenten hadden voordat deze plannen er waren al geen recht op studiefinanciering. Hiervoor verandert niets. Het deeltijdonderwijs kan 'overstekende' voltijdstudenten gaan verwachten.

Instellingscollegegeld

Een ander fenomeen is de introductie van het instellingscollegegeld.

In een aantal situaties moet dit worden betaald door de student. Instellingen als Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap melden: "Als u niet aan de voorwaarden voor het wettelijk collegegeld voldoet, dan betaalt u het instellingscollegegeld." Instellingscollegegeld geldt voor opleidingen in voltijd, deeltijd of voor duale opleidingen in het hoger onderwijs. Het bedrag kan verschillen per onderwijsinstelling, per opleiding en per groep studenten. In de regel is dit van toepassing als u na het behalen van een graad (bachelor of master) een tweede bachelor of master wenst te behalen. Bedragen kunnen oplopen tot ongeveer twee tot viermaal het normale collegegeld. Alleen de door de overheid bekostigde hogescholen moeten in sommige gevallen instellingscollegegeld berekenen.

Om de achtergrond te kunnen begrijpen volgt een korte uitleg over de financiering van hogescholen. We kennen in Nederland twee soorten hoger onderwijs: de door de overheid bekostigde hogescholen en de niet-bekostigde rechtspersonen voor hoger onderwijs.

De eerste groep (historisch bepaald), zoals Hogeschool Avans, Fontys, Inholland, Windesheim, HvA, etc. ontvangen van de overheid een bedrag van ongeveer € 7.000 - € 9.000 per student per jaar. Daarnaast ontvangen ze collegegeld van de studenten, ongeveer € 1.800 (voor deeltijdstudenten vaak iets minder). Hiervan uitgaande kunnen we stellen dat een hbo-student in het bekostigde hbo een kleine € 10.000 per jaar kost.

De tweede groep, de particuliere opleiders, die aan vrijwel dezelfde eisen moeten voldoen, zoals Markus Verbeek Praehep, LOI, NCOI, NTI, ABC en NIFA, etc. ontvangt geen bekostiging van de overheid, kent geen collegegeld of instellingscollegegeld, maar bepaalt zelf een prijs voor haar opleidingen. De prijzen zijn doorgaans wel wat hoger dan het reguliere collegegeld (ca. € 3.000 - € 3.500 per jaar), maar daar staat tegenover dat de totale prijs in de meeste gevallen niet toeneemt als u uw studie over een langere periode spreidt. De kosten per jaar worden zelfs lager dan bij de bekostigde hogescholen. Hierbij geldt de aanname dat u alle onderdelen in één keer afrondt.

Het zal duidelijk zijn dat de overheid studenten niet tot in het oneindige wil financieren bij hun studies. Het is dan ook begrijpelijk dat men er in principe voor gekozen heeft om een tweede master of bachelor niet meer te bekostigen. Daarmee verliezen de bekostigde scholen € 7.000 - € 9.000 per jaar per student, zodat het niet zo moeilijk is om in te schatten hoe hoog het instellingscollegegeld zal zijn. Heel veel lager dan het bedrag wat de hogeschool nu misloopt kan het waarschijnlijk niet worden, dat zou immers de redenering rechtvaardigen dat deze hogescholen jarenlang teveel vergoed hebben gekregen.

Er zijn echter een paar uitzonderingen geformuleerd, waarbij onder andere gedacht moet worden aan studenten die al tijdens hun studie begonnen zijn aan een tweede bachelor- of masteropleiding. Hiervoor verwijs ik u naar www.duo.nl.

Vooral HEAO BE-afgestudeerden die AA-accountant willen worden zijn tegen het verschijnsel instellingscollegegeld aangelopen. Vaak moeten zij nog een aantal vakken uit de hbo-accountancy-opleiding afronden om toegelaten te kunnen worden tot de post-hbo-opleiding AA. Daarmee begint men aan een tweede bacheloropleiding en zal instellingscollegegeld moeten worden geheven. (Circa 50% van de AA-studenten heeft een HEAO BE-achtergrond).

De particuliere opleiders hebben hier geen last van gehad. Veel bekostigde opleiders hebben besloten om dit traject onder te brengen in hun commerciële entiteiten zodat het instellingscollegegeld niet hoeft te worden doorberekend. Daarmee verdween ook het grote prijsverschil met de private opleiders.

Wat zijn de gevolgen van de invoering van het instellingscollegegeld op het gedrag van de student?

  • De regeling raakt zowel deeltijd-, dualeals voltijdstudenten. Studenten kiezen steeds vaker voor particuliere aanbieders als zij een tweede bachelor- of masteropleiding willen volgen. In de meeste gevallen is de particuliere aanbieder vaak voordeliger in vergelijking met de bekostigde hogeschool die instellingscollegegeld moet heffen. Een aantal kiest ervoor om tegelijkertijd twee opleidingen te volgen waardoor men vraagtekens kan plaatsen bij de 'studeerbaarheid'.
  • Het risico is denkbaar dat studenten vanwege de kosten afzien van een tweede studie.

Flexibilisering en deeltijdfinanciering hogescholen
Al enige tijd geven werkgevers aan meer behoefte te hebben aan hoger opgeleiden. Tegelijkertijd zien we dat in het bekostigde onderwijs het deeltijdaanbod terug loopt en dat de instroom vanaf het jaar 2000 is gehalveerd. Het niet-bekostigde onderwijs meldt een aantal jaren groei en stabilisatie tijdens de crisis.

Deeltijdonderwijs voor volwassenen vraagt een andere expertise, en ook meer flexibiliteit en efficiency omdat deze studenten hun studie moeten combineren met hun baan en privéleven. Ook de duur van hbo-bachelortrajecten is relatief lang, alhoewel de invoering van de Associate Degree programma's ervoor zorgt dat de eindstreep voor studenten in etappes kan worden bereikt. Met name in de deeltijdmarkt wordt een toename van het aantal studenten die deelnemen aan een Associate Degree programma verwacht. Tijdens de werkconferentie flexibel hoger onderwijs in maart 2013, werd dan ook duidelijk aangegeven dat het hoger onderwijs flexibeler moet worden ingericht en dat vraagfinanciering kan helpen om dit te bereiken.

Tegen deze achtergrond is het niet onwaarschijnlijk dat de financiering voor deeltijdopleidingen vanuit de overheid komt te vervallen of dat het systeem wijzigt in iets wat lijkt op een 'voucher'systeem. Het laatste houdt in dat het geld niet meer direct naar de hogeschool gaat, maar dat de student een soort tegoedbon krijgt die hij naar keuze kan besteden. Dit kan dan een private opleider zijn of een bekostigde. Daarmee ontstaat ook een 'level playing field' en een betere sturing op kwaliteit zoals door de student gepercipieerd. Vooralsnog lijkt het erop dat invoering niet voor 2017 gaat plaatsvinden.

Wat zijn de gevolgen van wijzigingen deeltijdfinanciering

  • Niet alleen de keuzes van studenten worden beïnvloed door de voorgenomen besluiten, maar ook hogescholen laten zich erdoor leiden. Zo lijkt het erop dat het bekostigde onderwijs langzaam meer gaat kiezen voor haar core business, de voltijdopleidingen.
  • De veelal private specialisten op het gebied van deeltijdopleidingen, zullen als gevolg hiervan delen van het vervallen deeltijdaanbod oppakken.
  • Studenten zullen ervaren dat het prijsverschil, bij invoering van het vouchersysteem, tussen private en bekostigde opleiders gaat wegvallen. Er kan meer gekozen worden op basis van kwaliteit. Het is zelfs niet ondenkbaar dat de bekostigde opleiders duurder worden dan de private, al is het te verwachten dat een aantal bekostigde hogescholen ervoor zal kiezen om deeltijdactiviteiten in hun commerciële entiteit te gaan onderbrengen.

Studeren wordt niet goedkoper

In combinatie met de economische ontwikkeling wordt er een samenhang duidelijk in de keuzes die de overheid wil maken. Daar waar zij dit redelijk acht, wil zij minder besteden aan hoger onderwijs, wat ongetwijfeld gaat betekenen dat de eigen bijdrage van studenten omhoog zal gaan. Dit geldt in het bijzonder voor het deeltijdonderwijs. De vraag is echter waar redelijkheid ophoudt en onredelijkheid begint. Het is lastig om dit vast te stellen. In internationaal perspectief moeten we objectief vaststellen dat hoger onderwijs in Nederland tot nu toe erg goedkoop is geweest. Vergelijken we Nederland met het Verenigd Koninkrijk, dan toont het verschil tussen € 1.800 Nederlands collegegeld of € 9.000 tot € 10.000 per jaar in de UK aan dat er in Europa nogal wat verschillen zijn. Het gevolg is overigens dat veel Britten buiten de grenzen naar alternatieven aan het zoeken zijn. In Duitsland en België zijn de collegegelden juist lager dan in Nederland.

Tot slot lijkt het erop dat de keuze voor de studierichting meer en meer bepaald wordt door het arbeidsmarktperspectief. Studenten worden zich er steeds meer van bewust dat er essentiële verschillen in toekomstperspectief bestaan tussen de verschillende studierichtingen. Het criterium dat de studie vooral 'leuk' moet zijn is daardoor van iets mindere betekenis geworden.

Het is duidelijk dat zelfs voorgenomen overheidsplannen het keuzegedrag van studenten beïnvloeden. Alhoewel deze niet altijd voordelig uitpakken voor de student, zijn bepaalde keuzes zeker verdedigbaar. Het zou daarbij prettig zijn als de overheid niet iedere keer met nieuwe plannen komt en die even snel inslikt. Bij een consistent onderwijsbeleid weten zowel de student en het onderwijsveld namelijk vooraf waar men aan begint.

Bekijk hier de presentatie van Markus Verbeek Praehep op Millian.nl.