Dé opleidingensite voor hbo en hoger
Gepubliceerd op: 11 april 2005
Auteur:
Functie: Associate Dean
Organisatie: Tias Business School (Katholieke Universiteit Brabant)


Belang en kwaliteit van postdoctorale opleidingen

Hier leest u meer over de doelgroep, de doelstelling, het belang en de kwaliteit van postdoctorale opleidingen.

Managerial skills zijn belangrijk binnen de organisatie
Inleiding

Maatschappelijke trends, veranderingen op profit en non-profit markten en organisatie-ontwikkelingen stellen hoge eisen aan de kwaliteit en de wendbaarheid van hedendaags management. Dit heeft de vraag naar en het aanbod van postdoctorale opleidingen sterk gestimuleerd. Toch bestaat vaak nog onduidelijkheid over de doelgroep, de doelstelling, het belang en de kwaliteit van dit type opleidingen. Deze bijdrage tracht daarom een antwoord te bieden op enkele veel gestelde centrale vragen. De volgende vier vragen komen aan bod:

  1. Voor wie zijn postdoctorale opleidingen bestemd?
  2. Wat is het specifieke belang van dit type opleidingen?
  3. Hoe kunnen de opleidingen getypeerd worden en in hoeverre sluiten ze aan bij de behoeften in de markt?
  4. Welke ontwikkelingen zijn op het terrein van de postdoctorale opleidingen te verwachten?

Bij de beantwoording van deze vragen wordt uitgegaan van opleidingen die erop gericht zijn het perspectief, de kennis en het inzicht van cursisten te verdiepen en te verbreden. Op het eerste gezicht lijkt dit het geval te zijn voor elke onderwijsactiviteit. Toch is er, ten aanzien van de omvang van het academisch gehalte, sprake van duidelijke accentverschillen. Wij zullen hier niet ingaan op cursussen die alleen gericht zijn op het louter overbrengen van kennis of het aanleren van specifieke vaardigheden, ook al kunnen deze, in de letterlijke betekenis, gericht zijn op een 'post-academisch' publiek. Zeer specialistische vervolgopleidingen, loutere 'opfris-cursussen' en specifieke vaardigheids- of 'how-to'- cursussen blijven dus buiten beschouwing. De nadruk ligt op postdoctorale opleidingen ten behoeve van het management: daar waar verschillende specialismen zich aan elkaar verbinden en vertaald worden in concrete afwegingen en beslissingen die meer strategisch dan tactisch-operationeel van aard zijn. We zullen ons dus concentreren op opleidingen en integratieve programma's, en niet op cursussen en trainingen. De aanduiding ('opleiding', 'cursus' of 'training') is hierin niet bepalend; wel bepalend is de nadruk op het academische aspect.


1. De doelgroep

De hier te behandelen postacademische / postdoctorale opleidingen richten zich dus op diegenen die een managementverantwoordelijkheid hebben. De niveaus van de opleidingen zijn onderling verschillend om ze aan te laten sluiten op de behoeften van de topmanager, de afdelingsmanager, degene die een domeingebonden managementtaak heeft, en de hogere staffunctionaris die het management voorziet van strategische input. Voor elk van deze niveaus geldt dat de doelgroep gevormd wordt door personen die een academische of hbo-achtergrond hebben, praktisch georiënteerd zijn, beschikken over een academisch denkvermogen en beschikken over een aantal jaren werkervaring.
Bovendien is de doelgroep niet alleen geïnteresseerd in praktische ervaringen en aanbevelingen, maar ook - of misschien juist wel meer - in de achtergronden hiervan. Dit laatste doet ze onderscheiden van diegenen die een cursus wensen waarin het academische aspect niet is vertegenwoordigd.


2. Het specifieke belang van postdoctorale opleidingen

Dat maatschappelijke en marktontwikkelingen zich sneller dan ooit voltrekken is inmiddels algemeen bekend en erkend. Organisaties lijken zich echter nog vaak onvoldoende te realiseren dat dit niet alleen hogere eisen stelt aan de informatievoorziening ten behoeve van het management maar ook aan de gehanteerde managementstijl. Tot enkele jaren geleden kon nog volstaan worden met een optimale informatievoorziening, zodat het management voortdurend op de hoogte was van de laatste ontwikkelingen. Nu moeten we echter constateren dat dit niet meer voldoende is. De hoeveelheid externe informatie is onbeperkt, in de eigen organisaties ligt zelfs vaak meer informatie opgeslagen dan men overziet. Zelfs al zou de manager in staat zijn de meest relevante informatie te selecteren dan nog staat dit niet garant voor optimale beslissingen. Het totale beslissingsdomein dat de manager moet bestrijken is veel omvangrijker dan voorheen. De complexiteit van de verschijnselen, processen en interacties in dit domein is onvergelijkbaar met dat van een tiental jaren geleden. De snelheid van verandering is groter dan ooit eerder is waargenomen in de historie. Kennis vormt nog steeds een noodzakelijke voorwaarde maar is zeker geen voldoende voorwaarde meer. De hedendaagse manager moet kunnen beschikken over een diep inzicht in de dynamiek van de wisselwerking tussen, enerzijds, de verschillende functies binnen de organisatie en, anderzijds, de organisatie en haar omgeving. De eerdere generatie managers werd opgeleid - of leidde zichzelf op - om op basis van kennis over bestaande structuren tot adequate beslissingen te komen. Het moderne management vergt eerder een omgaan met onzekerheden en veranderingen omdat van stabiele structuren geen sprake meer is. Dynamisering van inzicht, ook wel mentale wendbaarheid genoemd, vormt daarom één van de belangrijkste kenmerken van het moderne management. Bij een bepaalde managementstijl hoort een bepaalde opleiding. Die manager die behoefte heeft aan aanvulling op een specifieke vaardigheid (bijvoorbeeld 'onderhandelen') kan hier in de opleidingsmarkt verschillende opties vinden. Diegene die zich voor een bepaald domeingebonden problematiek geplaatst ziet (bijvoorbeeld 'machtsverandering in distributiekolom') vindt ook hiervoor meerdere themagebonden opleidingen. De manager die behoefte heeft aan een aanscherping van de integrale bedrijfsvoering heeft de keuze uit verschillende opleidingen waarin meerdere domeinen integraal worden aangeboden. Welke opleiding ook gekozen wordt, het belang van het academisch gehalte neemt toe omdat dit juist het aspect is dat de cursist het loutere kennisniveau doet ontstijgen.

Wat leveren postdoctorale opleidingen op in termen van 'nut'? Het moge duidelijk zijn dat het resultaat van postdoctorale opleidingen niet zo concreet is als dat van, bijvoorbeeld, een cursus 'Engels voor gevorderden'. Sterker, als het volledige resultaat concreet aanwijsbaar zou zijn bij afronding van de opleiding zou dit in tegenspraak zijn met de aard en intentie van de opleiding. Dit houdt echter geen vrijbrief in voor het invullen van de postdoctorale opleiding. Er zijn concrete tussenresultaten in de vorm van opdrachten, presentaties en rapportages die duiden op de performance-kwaliteit van de deelnemer. Bovendien wordt veel aandacht besteed aan de concrete eindtermen, hoewel deze eindtermen zich niet meer in traditionele criteria als kennisomvang laten vertalen. Misschien laat de ontwikkeling van de eindtermen zich het best aan de hand van concrete generaties, ontwikkelingsfasen of kwaliteitsniveaus beschrijven.

Niveau 1:
De meest traditionele eindterm is het kennen van een concept. Wat is, bijvoorbeeld, organisatiecultuur?

Niveau 2:
Dit niveau gaat in op de relatie tussen twee of meer concepten: hoe verhoudt organisatiecultuur zich tot de leiderschapsstijl?

Niveau 3:
Deze generatie opleiding tracht deze relatie in een bredere context te plaatsen: waarom doen bepaalde organisatiecultuur ontwikkelingen zich voor en welke impact kunnen maatschappelijke ontwikkelingen hebben op het toekomstig functioneren van organisaties? De bredere context houdt ook in dat het specifieke beslissingsdomein in verband wordt gebracht met andere domeinen. Bij strategische keuzes gaat het, bijvoorbeeld, niet alleen om de eigen positie ten opzichte van concurrenten, maar ook om de wijze waarop de interne afdelingen complementair ten opzichte van elkaar functioneren.

Niveau 4:
Een vierde generatie opleidingen tracht verschillende zienswijzen ten aanzien van dergelijke issues met elkaar te confronteren, zonder een definitieve uitspraak te kunnen doen over de validiteit van elk van die zienswijzen. De uitspraak wordt aan de cursisten zelf overgelaten nadat zij bekend zijn gemaakt met de soms tegenstrijdige inschattingen. In een dergelijke opleiding wordt de cursist gevraagd de alternatieve benaderingen te wegen om op grond van een beargumenteerde afweging een inschatting te maken van het belang voor de eigen organisatie.

Niveau 5:
Postdoctorale opleidingen op dit niveau, tenslotte, maken duidelijk dat de theoretische benaderingen zelf onder invloed staan van historisch bepaalde keuzes, en dat deze keuzes hun beperkingen hebben waar het gaat om het maken van inschattingen van complexe, toekomstige situaties. De deelnemer wordt geleerd het eigen denken in een breder perspectief te plaatsen.

Hoewel de verschillende generaties te maken hebben met een toenemende mate van complexiteit zijn ze daardoor niet per definitie abstracter. In een kwalitatief goede opleiding wordt elke abstractie gerelateerd aan praktische voorbeelden en waarneembare verschijnselen. Erkend wordt dat de waarheid verschillende lagen kent. De essentie van de opleiding is gelegen in het laten onderkennen van deze lagen en ze te plaatsen in een bredere ruimte en in een meer algemeen tijdsperspectief. Dit biedt de beste basis voor strategische beslissingen.

De wisselwerking tussen theorie en praktijk maakt het mogelijk voortdurend de realiteit als ankerpunt te nemen. Dit voorkómt vrijblijvend filosoferen en theoretiseren. Wel wordt ruimte geboden voor het nemen van enige afstand van de dagelijkse operationele werkelijkheid. Hoe uitgebreider de opleiding en hoe diverser het cursistenbestand, des te meer ruimte hiertoe over het algemeen beschikbaar is. Dit vergt van de cursist overigens een behoorlijk abstractievermogen, het vermogen tot werkelijk strategisch denken, het consequent mentaal schakelen zonder de rode draad te verliezen en het voortdurend veranderen van perspectief.

De vraag wat een opleiding oplevert kan dus niet zonder meer beantwoord worden. Dit hangt niet alleen af van de opleidingskwaliteit maar ook van het nagestreefde niveau. De verschillende niveaus die hierboven zijn aangegeven maken duidelijk dat ze resulteren in verschillende capaciteiten. Hoe lager het niveau, hoe meer de capaciteit op het tactisch-operationele vlak zal liggen. Hoe hoger het niveau, hoe meer de algemene strategische denkwijze gestimuleerd is. Op het hoogste niveau wordt strategisch denken in een complexe, sterk veranderende omgeving gesimuleerd. Afgestudeerden van een dergelijke opleiding zijn in staat tot het presenteren van een overzichtelijke inschatting van een nieuwe situatie, zijn in staat hier enkele rode draden in aan te geven, deze aan elkaar en aan praktische implicaties en extrapolaties te verbinden, en hun visie te onderbouwen met een voor anderen duidelijke argumentatie. In feite komt het erop neer dat hun beslissingsdomein is opgerekt, zowel qua aantal dimensies als de ruimte die deze dimensies omspannen. Het moge duidelijk zijn dat de eisen die aan de cursisten gesteld worden aangepast worden aan het niveau van de opleiding. Hetzelfde geldt overigens voor de docenten. Op het hoogste niveau spreken we van topcursisten en topdocenten. De laatste zijn wetenschappers die op hun vakgebied internationale erkenning genieten en praktijkmensen die juist het belang en de benadering van de vijfde generatie opleiding onderschrijven. De interactie is uiterst intensief en veeleisend doordat de groep als het ware boven zichzelf wordt uitgetild. Van een echte 'opleiding' is dan ook geen sprake meer.


3. Hoe kunnen de opleidingen getypeerd worden en in hoeverre sluiten ze aan bij de behoeften in de markt?

Opleidingsinstituten verschillen in de academische ambitie, ofwel in het niveau dat wordt nagestreefd. De ambitie vertaalt zich in het aantal cursisten, in de toelatingseisen, in de wijze waarop docenten worden geselecteerd, in de persoonlijke intakes (en dus soms ook afwijzing) van cursisten, in de monitoring van de performance van cursisten gedurende de looptijd van de opleiding, en in de consequente screening en evaluatie van docenten. Er zijn instituten die op een wat bredere doelgroep mikken en er zijn instituten die het academische gehalte in de eigen positionering benadrukken en daardoor een hogere exclusiviteit claimen. Het is overigens van belang te benadrukken dat een lagere ambitie niet per definitie een lagere kwaliteit betekent.

In de beoordeling van de opleidingen en opleidingsinstituten is het daarom van belang te bepalen wat de doelstellingen zijn vanuit de eigen organisatie. Indien het strategische belang voorop staat is het raadzaam te kiezen voor een opleiding en een opleidingsinstituut dat ten aanzien van het academische aspect geen compromissen sluit. Indien meer behoefte is aan tactisch-operationele ondersteuning kan volstaan worden met opleidingen van instituten waarin het academisch aspect minder wordt geaccentueerd.

Het bedienen van een breder publiek heeft voor- maar ook nadelen voor de deelnemers. Een voordeel is dat toelating vrijwel gegarandeerd is; een nadeel is dat dit zich vertaalt in een meer heterogene samenstelling van de deelnemersgroep. Heterogeniteit is geen enkel bezwaar als het betrekking heeft op de achtergronden van betrokkenen. Integendeel zelfs: de varieteit kan niet groot genoeg zijn. Heterogeniteit is wel een bezwaar als het gaat om het niveau van de deelnemers. Een grote varieteit op dit punt heeft tot gevolg dat het opleidingsniveau zich aanpast aan het laagste niveau, de interactie wordt zeer bemoeilijkt, en er treden onwenselijke groepseffecten op. Een belangrijk kwaliteitscriterium betreft dus de mate waarin de nadruk gelegd wordt op de intake of selectie van kandidaatdeelnemers. Opleidingen verschillen in de mate dat ze aandacht schenken aan de persoonlijke ontwikkeling van de deelnemer, ofwel het aanleren van managerial skills. Bepaalde opleidingen hanteren een voldoende niveau van managerial skills als toelatingsvoorwaarde. Zij beoordelen dit aan de hand van het niveau waarop de kandidaatdeelnemer in zijn / haar organisatie functioneert en aan de inmiddels gevolgde carriérelijn. Andere opleidingen nemen managerial skills als onderdeel op in het opleidingentraject. Opleidingen kunnen overigens via het gebruik van bepaalde didactische technieken managerial skills stimuleren, ook al leggen ze zich niet primair toe op de ontwikkeling van deze vaardigheden.


4. Welke ontwikkelingen staan ons te wachten op het terrein van de postdoctorale opleidingen?

Het omgaan met beschikbare informatie en kennis is de bepalende factor in de levensloop van organisaties. Informatie is geen schaars artikel meer. De kwaliteit van beslissingen wordt dan ook niet meer bepaald door de kwantiteit van informatie. Zelfs de kwaliteit van informatie is steeds minder de voldoende voorwaarde voor succes. De waarde van een beslissing is gelegen in de soorten informatie die bij de beslissing worden betrokken en de wijze waarop de informatie wordt gewogen. De werkelijk waardevolle informatie is die welke afgeleid wordt uit bestaande informatie. Het omgaan met informatie en het afleiden van informatie zijn tot voor kort niet systematisch meegenomen in postdoctorale opleidingen. De behoefte hieraan groeit, ook omdat het aanbod in deze richting een ontwikkeling doormaakt. Verwacht mag worden dat het aanbod zich op dit punt wel sterker zal profileren: de verschillen tussen de aanbieders zullen ten aanzien van het academische accent duidelijker worden. Enerzijds bestaat een profileringsbehoefte aan aanbodzijde; anderzijds vraagt de markt om duidelijk omschreven opleidingsmogelijkheden.

De maatschappelijke veranderingen dwingen tot een herbezinning op het beslissingsdomein van de manager. De grenzen van het speelveld veranderen. Dit gold al voor de geografische grenzen. Hier komen de conceptuele grenzen bij: markten worden steeds minder bepaald door historische ontwikkelingslijnen en steeds meer door functionaliteiten voor afnemers. Tot slot is de begrenzing in tijd ook aan verandering onderhevig: het heden is steeds minder te gebruiken als sjabloon voor de toekomst. Dit komt erop neer dat de manager zich in meerdere opzichten mentaal los moet kunnen maken van de huidige realiteit. Academisch-strategische inzichten worden een voorwaarde tot overleven. Dit houdt in dat een steeds groter beroep zal worden gedaan op postdoctorale opleidingen. Op hun beurt zullen deze een ontwikkeling doormaken die voortkomt uit de noodzaak de ambitie tot verdere professionalisering voortdurend bij te stellen.