Dé opleidingensite voor hbo en hoger
Gepubliceerd op: 14 augustus 2006
Auteur:
Organisatie: Pro Education


De Kwaliteit van Professional Masteropleidingen in het Hoger Onderwijs: Wat houdt de titel Master tegenwoordig in en hoe is de wettelijke erkenning geregeld?

Dit artikel legt uit wat hbo-masteropleidingen voor werkenden inhouden en hoe u kwalitatief goede opleidingen kan herkennen.

Een student studerend aan een van de professional masteropleidingen

Deze problematiek werd gesignaleerd door de Nuffic, de HBO-Raad, de VSNU en de Federation of Institutes for International Education in the Netherlands (FION). De betrokken organisaties hebben dan ook aandacht gevraagd voor een systeem van kwaliteitszorg en erkenning van de verschillende masteropleidingen in Nederland. Dit heeft, op verzoek van de HBO-Raad en met steun van de minister, in juni 1997 geleid tot de oprichting van de onafhankelijke stichting Dutch Validation Council (DVC). De DVC was door de proefaccreditaties in staat het niveau en de kwaliteit van post hoger onderwijsopleidingen op masterniveau vast te stellen.

De DVC maakte onderscheid tussen een 'kandidaatsaccreditatie' die voorlopig werd toegekend aan (vaak) nieuwe opleidingen, en een accreditatie voor opleidingen die aan alle eisen van accreditatie voldeden. De DVC-kandidaatsaccreditaties gaven dezelfde rechten als een DVC-accreditatie. De DVC heeft vanaf 1997 60 opleidingen met een kandidaatsaccreditatie en 21 opleidingen met een accreditatie in het DVC-Masterregister opgenomen.

Mede vanwege het gegeven dat er in Nederland geen verplichte beoordeling van de kwaliteit van postbachelor hoger onderwijsprogramma's plaatsvond, beschikten studenten over het algemeen niet over objectieve informatie over de kwaliteit van de programma's, alleen informatie van de aanbieders zelf was beschikbaar. De kwaliteit van het onderwijs verschilde tussen instellingen en tussen de programma's en de instellingen hebben zelf de vrijheid de hoogte van de collegegelden vast te stellen en de studenten te selecteren. Het was voor aspirant studenten en werkgevers dan ook moeilijk om de verschillen in kwaliteit te beoordelen.


Invoering bachelor-masterstructuur

Met de ondertekening van de Bologna-verklaring in 1999 hebben ruim 30 Europese landen besloten de bachelor-masterstructuur in te voeren in het hoger onderwijs. Voor een aantal landen - waaronder Nederland en België - was dit aanleiding om een accreditatiestelsel te introduceren waarmee kan worden vastgesteld of opleidingen voldoen aan de criteria voor basiskwaliteit. Daarmee wordt beoogd de internationale herkenbaarheid van het hoger onderwijs te vergroten. Dat heeft een gunstig effect op uitwisseling van studenten en de voorbereiding op de internationale arbeidsmarkt (NVAO, 2003).

Voor de opleidingen in het segment hoger onderwijs heeft dit geleid tot een herschikking. Het aanbod in het hoger onderwijs (WHW, 2005) bestaat uit HBO- en WO-bacheloropleidingen en HBO- en WO-masteropleidingen. De HBO-masteropleidingen (ook wel professional masteropleidingen genoemd) dienen te voldoen aan dezelfde niveau- en kwaliteitseisen als de WO-masteropleidingen, zoals deze zijn geformuleerd in het beoordelingskader en de Dublin Descriptoren (NVAO, 2003), alhoewel deze met uitzonderingen daargelaten, niet in het bekostigingsstelsel zijn opgenomen.

Afgestudeerden van een geaccrediteerde HBO-masteropleiding mogen de titel Master voeren, afgestudeerden van een WO-masteropleiding krijgen naast de titel Master de toevoeging van Science of Arts, afhankelijk van het studiedomein.


In het licht van de internationalisering van studie en arbeidsmarkt zorgt accreditatie voor kwaliteitsborging van opleidingen binnen het hoger onderwijs.



NVAO-accreditatie als kwaliteitsgarantie

Accreditatie is 'het verlenen van een keurmerk dat aangeeft dat aan bepaalde maatstaven is voldaan' (NVAO, 2003). Accreditatie is in Nederland en Vlaanderen een voorwaarde voor bekostiging / financiering van een bachelor- of masteropleiding door de overheid, voor het recht erkende diploma's af te geven en in Nederland een voorwaarde voor toekenning van studiefinanciering aan studenten. In het licht van de internationalisering van studie en arbeidsmarkt zorgt accreditatie voor (vergelijkbare) kwaliteitsborging van opleidingen binnen het hoger onderwijs (WHW, 2005). Eerder toegekende kandidaatsaccreditaties van het DVC zijn niet meegenomen naar het nieuwe accreditatiestelsel, de door de DVC toegekende masteraccreditaties wel (Overgangsregeling DVC-accreditaties, 2003).

Bij accreditatie wordt de opleiding beoordeeld op de volgende aspecten:

  • Doelstellingen opleiding,
  • Programma,
  • Inzet van personeel,
  • Voorzieningen,
  • Interne kwaliteitszorg en
  • Resultaten (NVAO, 2003).

De instelling moet aantonen dat zij van plan is om bij de nieuwe opleiding vanaf het begin te streven naar een aanvaardbaar kwaliteitsniveau en vervolgens naar een voortgaande bewaking en verbetering van de kwaliteit. Ook voor de bestaande opleidingen in het hoger onderwijs is interne kwaliteitszorg een belangrijk onderwerp voor de accreditatie. De instelling moet aantonen dat de kwaliteit structureel wordt bewaakt en verbeterd. Daarmee is kwaliteitszorg de beste waarborg voor behoud en verbetering van de in de accreditatie geconstateerde kwaliteit.

Het NVAO verleent het keurmerk na een positief besluit op basis van de toetsing die in opdracht van een onderwijsinstelling door een Visiterende en Beoordelende Instantie (VBI) is uitgevoerd. Het initiatief voor accreditatie ligt dus bij de instelling (NVAO, 2003). Onder de regie van de VBI's zullen panels (visitatiecommissies) tot een oordeel moeten komen over de kwaliteit van de beoordeelde opleidingen. Het NVAO toetst deze externe beoordeling van de VBI's.

De 'tucht van de markt' dwingt aanbieders tot het zorgvuldig bewaken van het resultaat van hun diensten en daarmee aan te sluiten op maatschappelijke ontwikkelingen


Relatie werkveld en opleiding

De betrokkenheid van medewerkers, studenten, alumni en het beroepenveld is een wezenlijk kenmerk voor de kwaliteit van de opleiding. Deze betrokkenheid zal moeten blijken uit de wijze waarop de genoemde groepen worden geraadpleegd, uit hun rol in de besluitvorming en de doorwerking van hun aanbevelingen in de opleiding. Gedacht kan worden aan het functioneren van periodiek docentenoverleg, studentenevaluaties en de rol van de opleidingscommissie (verplicht in het bekostigd onderwijs) en de beroepenveldcommissie, die bestaat uit onafhankelijke experts, docenten, participerende bedrijven, koepelorganisaties, deelnemers en alumni. De opleiding toont daarmee aan dat zij voldoet aan de wensen en eisen van het afnemende beroepenveld, dat het programma aansluit bij de actualiteit van het werkveld en anticipeert op de trends en ontwikkelingen.

Commerciële aanbieders worden door hun klanten direct op de geleverde prestaties beoordeeld, immers als de klant ontevreden is kan deze het contract beëindigen. Deze 'tucht van de markt' dwingt aanbieders tot het zorgvuldig bewaken van het resultaat van hun diensten en daarmee aan te sluiten op maatschappelijke ontwikkelingen.


Relatie organisatie en opleiding

Organisaties die hun competenties willen ontwikkelen doen er goed aan hun marktstrategie actief te verbinden met een leeromgeving die hun medewerkers uitdaagt zich continu te ontwikkelen. Een goed startpunt is een leeromgeving waarin mensen vooral die dingen moeten doen waar ze goed in zijn en waarbij zij hun talenten en capaciteiten op de juiste wijze kunnen inzetten. Daarmee waarborgt de organisatie haar continuïteit en vergroot de individuele medewerker als drager van kennis zijn of haar toegevoegde waarde voor de organisatie.

De dagelijkse praktijk is een belangrijke aanjager voor de professionele ontwikkeling van mensen. Maar het zijn vaak de externe impulsen die de ontwikkeling, de vernieuwing en de verbetering in een organisatie daadwerkelijk op gang brengen. Nieuwe inzichten, meer kennis, best practises, werkbare modellen en scherpe reflectie leiden tot andere toepassingen en vormen in combinatie met elkaar de drijvende kracht achter betere resultaten. Waar de werkgever een goede leeromgeving kan verschaffen is het uiteindelijk de professional zelf die in zijn of haar opleiding feitelijk gestalte geeft aan zijn of haar ontwikkeling. Het uiteindelijke succes van het opleiden van moderne professionals wordt sterk bepaald door het vermogen van de deelnemer zelf om richting te geven aan zijn of haar ontwikkeling.

Professional masteropleidingen richten zich daarom behalve op de inhoud van de opleiding ook op de wederzijdse transfer tussen opleiding, praktijk en student waarbij ook een coachings- of supervisieproces moet worden beschouwd als een belangrijk aspect binnen het opleiden. Uiteindelijk gaat het om het vermogen de verworven kennis toe te passen in de praktijk. Ieder opleidingsinstituut geeft aan dit aspect van het curriculum een eigen vorm. Bij Pro Education is dat voor de geaccrediteerde professional masteropleidingen, Master in Management & ICT en Master in Management & Innovation, vormgegeven in het onderstaande model:

Een kennisintensieve samenleving en uiteindelijk ook de afzonderlijke organisaties vergen, behalve direct inzetbare kennis (theorieën, succesvolle praktijken, methodieken, modellen), ook de onderliggende grondslagen en de inzet van verantwoord (toegepast wetenschappelijk) onderzoek. In de verwerving van de eindkwalificaties van een professional masteropleiding moeten dan ook algemene theorieën, kennis, grondslagen, ideeën en inzichten worden ingezet en toegepast.


Organisaties die hun competenties willen ontwikkelen doen er goed aan hun marktstrategie actief te verbinden met een leeromgeving die hun medewerkers uitdaagt zich continu te ontwikkelen.



Tot slot

De professional masteropleidingen (HBO-master) verwerven een eigenstandige en erkende plaats naast het academische masteraanbod. Waarbij de professional masteropleiding en haar studenten zich richten op praktijkgericht onderzoek, ontwikkelingen binnen hun eigen beroep en het leveren van bijdragen aan de eigen beroepsgroep. Vanuit een intensief contact met de directe beroepsomgeving en door actief te participeren in kennisnetwerken en brancheorganisaties kunnen onderwijsorganisaties de kwaliteit van hun opleiding, van het curriculum en van het niveau van hun afgestudeerden waarborgen.

Bekijk hier de presentatie van Pro Education op Millian.nl.